Twee wanden met dezelfde akoestische wandbekleding kunnen toch verschillend presteren, afhankelijk van hoe de opbouw achter het oppervlak eruitziet.
Bij het 9 mm materiaal loopt de absorptiewaarde op van αw 0,25 wanneer het paneel direct tegen de wand is gemonteerd, tot αw 0,55 met 50 mm luchtspouw en αw 0,75 met 100 mm luchtspouw. Die sprong ontstaat doordat een luchtspouw achter het paneel extra ruimte geeft voor geluidsgolven om te bewegen en te dempen voordat ze de harde ondergrond bereiken. De montageafstand tot de wand heeft daarmee minstens zoveel invloed op de prestatie als de dikte van het materiaal zelf.
Naast het 9 mm materiaal biedt Chameleon ook een 18 mm variant, die zonder luchtspouw al αw 0,45 haalt, oplopend tot αw 0,80 met 100 mm spouw. Een dikker paneel presteert dus structureel beter, vooral bij lage frequenties, wat relevant is in ruimtes met veel bromgeluid van bijvoorbeeld installaties of verkeer.
Kitmontage vraagt daarnaast om een geschikte ondergrond: voor gladde wanden wordt een ander type kit gebruikt dan voor wanden met een grovere structuur. Een verkeerd gekozen montagemethode kan de hechting op termijn aantasten, wat losraken of scheefzakken van panelen tot gevolg kan hebben, ongeacht hoe goed het materiaal zelf presteert. Wanden met verzonken leidingwerk of installaties vragen om extra aandacht: daar is soms al een natuurlijke luchtspouw aanwezig door de bestaande constructie, wat de uiteindelijke absorptie beïnvloedt zonder dat dit vooraf zichtbaar is. Een korte inspectie van de wandopbouw voorkomt verrassingen achteraf.
Voor architecten en projectinrichters is dat de kern van specificeren: niet alleen het juiste materiaal kiezen, maar ook de montageafstand en dikte expliciet afstemmen op de akoestische behoefte van de ruimte, in plaats van te vertrouwen op een standaardkeuze die toevallig ergens anders goed werkte.